Wie mogen de diagnose autisme stellen?

De diagnose autisme kan alleen gesteld worden na een uitvoerig multidisciplinair onderzoek door een team met een ruime ervaring op het gebied van autisme (bijvoorbeeld een regionaal autismeteam, een gespecialiseerd universitair Ambulatorium of een (academische) polikliniek voor kinder- en jeugdpsychiatrie). Maar de diagnose kan ook door een GZ-psycholoog of (kinder)psychiater gesteld worden die deskundig is op het gebied van autisme.

Hoe komt u bij deze organisaties?
Dit hangt af waar u woont. Uw huisarts kan u doorverwijzen op grond van uw vragen. Er kan ook nader onderzoek plaatsvinden. Hiervoor is een indicatie nodig, die u aan moet vragen via het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).

Vooral bij jonge kinderen is de onderkenning van autisme erg lastig omdat de bandbreedte van wat ’normaal’ is, dan nog groter is. Leerkrachten kunnen signaleren dat gedrag van een kind afwijkt van dat van de andere kinderen in de groep. Om verder duidelijk te krijgen wat er precies aan de hand is, is het belangrijk dat de leerkracht, in overleg met de ouders, contact zoekt met andere deskundigen, zoals:

  • een leerlingbegeleider van een onderwijsbegeleidingsdienst
  • een zorgteam Weer Samen Naar School
  • een Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL) 
  • de huisarts
  • een intakefunctionaris van Bureau Jeugdzorg
  • het schoolmaatschappelijk werk

Uitsluiten van andere stoornissen
De diagnostiek bij jonge kinderen is moeilijk. Het onderscheid tussen bijvoorbeeld autisme, een verstandelijke handicap, een taalontwikkelingsstoornis of een reactie op een traumatische gebeurtenis, is lastig te maken. Voorzichtigheid met een definitieve diagnose is dan gewenst. In zo'n geval kan de diagnose beter uitgesteld worden en kan de specifieke begeleiding worden gezien als een fase van verlengde diagnostiek.

Nog moeilijker voor een goede diagnose is het feit dat de verschijningsvormen van andere stoornissen kunnen lijken op de kenmerken van autisme. Omdat de behandelingsvorm van de stoornissen verschilt, is het noodzakelijk precies te achterhalen van welke stoornis sprake is. We noemen dit differentiaaldiagnostiek. Voor de diagnose autisme moeten de volgende categorieën uitgesloten te worden:

  • perceptuele stoornissen: slechtziend, doof, slechthorend (kan ook samen voorkomen met autisme)
  • verstandelijke handicap (kan ook samen voorkomen met autisme)
  • spraaktaal ontwikkelingsstoornissen
  • selectief mutisme (kinderen die in bepaalde situaties niet willen praten)
  • ernstige (vroegkinderlijke) affectieve en pedagogische verwaarlozing
  • kinderschizofrenie